
Spaarloonregeling
De overdrachtsbelasting is, vanaf 15 juni 2011 tot 1 juli 2012, van 6 procent naar 2 procent verlaagd. Om dit budgettair mogelijk te maken, wordt de spaarloonregeling per 1 januari 2012 afgeschaft. Er is een overgangsregeling voor de werknemers die op 31 december 2011 een spaarloonrekening hebben. Wat zijn hier de gevolgen van? Betekent de afschaffing van het spaarloon dat bijna alle lijfrentes premievrij worden gemaakt?
Vanaf 2012 is het niet meer mogelijk stortingen te doen in een spaarloonregeling. Het saldo dat de werknemer tot 2012 heeft opgebouwd kan in 2013 in een keer zonder fiscale consequenties worden opgenomen. De werknemer kan er ook voor kiezen het saldo te laten staan. Dan blijft de vrijstelling voor spaarloon in box 3 gelden. Wel wordt ieder jaar een deel van het tegoed vrijgegeven. Ook blijven de deblokkeringsmogelijkheden bestaan.
In 2016 zal de spaarloonregeling zijn uitgewerkt, dan is de termijn van vier jaar van de laatste storting in de spaarloonregeling vervallen. De overgangsregeling wordt dan opgeheven.
Deze wijziging heeft gevolgen voor werknemers die hun spaarloonregeling rechtstreeks gebruiken voor de betaling van een lijfrentepremie of bancaire lijfrentestorting. Het rekeningnummer waarvan de incasso plaatsvond, moet worden gewijzigd. Of als de werknemer de regeling wil stoppen, zal de verzekering premievrij moeten worden gemaakt. Neem met AHC contact op voor een adequaat advies.
Vitaliteitsregeling
Het kabinet heeft op Prinsjesdag de plannen voor een vitaliteitsregeling gepresenteerd. Een onderdeel daarvan is het vitaliteitssparen. Deze regeling start vanaf 2013 en vervangt de spaarloon- en levensloopregeling.
Met deze regeling wil het kabinet werknemers de mogelijkheid geven hun loopbaan zelf vorm te geven.
Het vitaliteitssparen kan, net als bij de levensloopregeling, in de volgende drie vormen plaatsvinden:
• de spaarrekening
• de spaarverzekering
• het spaarrecht van deelneming
De toegelaten aanbieders zijn dezelfde als die van de levensloopregeling.
De stortingen zijn fiscaal aftrekbaar in box 1. Dit houdt in dat de inleg wordt gedaan met netto geld/loon. Anders dan bij de spaarloon- en levensloopregeling waar de inleg wordt gedaan met bruto geld/loon.
Het maximaal fiscaal vriendelijk op te bouwen vermogen bedraagt 20.000 euro (bruto). Jaarlijks mag de belastingplichtige echter maximaal 5.000 euro inleggen. Voor de opname van de ingelegde gelden zijn geen beperkingen opgenomen. De deelnemer kan tot en met 61 jaar in één jaar het hele bedrag van 20.000 euro opnemen. Na opname kan de werknemer het jaar daarna weer opnieuw starten met de opbouw van 20.000 euro door maximaal 5.000 euro te storten. De in de regeling gegeven maximale bedragen worden jaarlijks aangepast aan de inflatie. Als een deelnemer een uitkering uit het saldo wil ontvangen, is de uitvoerder van de regeling inhoudingsplichtige voor deze uitkeringen.
Vanaf het jaar dat de deelnemer op 1 januari 62 jaar is, mag nog maximaal 10.000 euro per jaar worden opgenomen. Neemt de deelnemer toch meer op, dan wordt het hele saldo van het vitaliteitssparen ineens belast. Hiermee wil het kabinet het deeltijdpensioen bevorderen en het voltijd pensioen beperken. Het tegoed moet de werknemer uiterlijk vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd opnemen. Deze leeftijd wordt aangepast aan de geldende AOW-leeftijd. Dus als de AOW-leeftijd naar 66 jaar gaat, wordt ook de uiterste opname leeftijd voor het vitaliteitssparen verhoogd naar 66 jaar.
Voor het vitaliteitssparen is een schriftelijke overeenkomst tussen de belastingplichtige en de toegelaten aanbieder nodig. Het saldo van het vitaliteitssparen kan alleen toekomen aan degene die de bedragen heeft ingelegd. Als de regeling niet meer voldoet aan de voorwaarden, wordt het hele saldo ineens belast bij degene die de bedragen heeft ingelegd. Ook als die persoon overlijdt, vindt belastingheffing bij hem/haar plaats. Na inhouding van de belasting ontvangen de nabestaanden het restantsaldo.