De WAO is in 1967 ontstaan als samenvoeging van de Ongevallenwet en de Invaliditeitswet.
De oorzaak van de arbeidsongeschiktheid is niet meer belangrijk. Centraal stond of er loonverlies was waardoor mensen door de arbeidsongeschiktheid minder konden verdienen als vroeger.
Dus ongeacht of arbeidsongeschiktheid voortkwam uit privé (risque social) of door het werk (risque professionel), er was altijd recht op WAO.
De WAO voorziet in uitkeringen aan werknemers die - na de periode van de loondoorbetalingsverplichting meer dan 15% arbeidsongeschikt zijn. Met de komst van de WIA is er geen toegang meer tot de WAO maar bestaande rechten worden gerespecteerd.
Een arbeidsongeschikte krijgt eerst een WAO –loondervingsuitkering.
Deze bedraagt bij volledige arbeidsongeschiktheid 75% van het laatst verdiende loon tot maximaal de WAO-grens van € 49.297,68 bruto per jaar (2011). De duur van de WAO-loondervingsuitkering is afhankelijk van de leeftijd van de arbeidsongeschikte op de datum van de WAO-instroom en wordt toegekend vanaf 33 jaar.
Na de loondervingsuitkering ontvangt de arbeidsongeschikte tot zijn 65e jaar een vervolguitkering.
In 1993 zijn de keuringsregels voor de WAO veranderd. Voor 1993 gold uit als uitgangspunt passende arbeid. Sinds 1993 geldt als uitgangspunt gangbare arbeid.
Regels vier weken wachttijd voor bestaande WAO'ers
-
Indien mensen na een
arbeidsongeschiktheidsuitkering weer volledig arbeidsgeschikt zijn (<15%
arbeidsongeschiktheid) houden ze wel vijf jaar na einde WAO-uitkering de status
arbeidsgehandicapt. Indien er binnen vijf jaar na einde WAO-uitkering opnieuw
uitval plaatsvindt met dezelfde oorzaak, dan geldt vier weken
wachttijd voor de WAO (in plaats van een loondoorbetaling van 104 weken) en zal
opnieuw een WAO beoordeling plaatsvinden. Is er geen recht op WAO, dan loopt
voor de werkgever wel de loondoorbetaling door conform 104 weken en zal na 104
weken een WIA-beoordeling plaatsvinden.
-
Ontvangt iemand momenteel nog een WAO-uitkering,
dan geldt altijd vier weken wachttijd voor de WAO als de arbeidsongeschiktheid
toeneemt binnen vijf jaar na de laatste beoordeling, als gevolg van dezelfde
ziekteoorzaak.
-
Is iemand momenteel meer dan 45% arbeidsongeschikt dan is
zelfs de oorzaak van de toegenomen arbeidsongeschiktheid niet van belang. Dus
dan geldt ook vier weken wachttijd bij een volstrekt andere oorzaak.
Verschillen tussen WAO en WIA zijn o.a.:
- Het recht op WAO bestond al bij loonverlies van
15%. De ondergrens voor de WIA ligt bij 35% arbeidsongeschiktheid.
-
In de regeling WGA is na de WGA loongerelateerde uitkering de hoogte van de uitkering afhankelijk of er voldoende wordt gewerkt. De WAO kende voor de
vaststelling van de hoogte van de uitkering geen inkomenstoets.
-
De WAO-keuring was na 52 weken ziekte. De
WIA-keuring is na 104 weken ziekte. Nieuw is dat bij de regeling WGA het
werkloosheidselement is geïntegreerd. Gedurende de WGA loongerelateerde
uitkering is er altijd nog zekerheid, ook als men niet werkt. De WAO
betrof alleen een uitkering over het arbeidsongeschiktheidsgedeelte. Voor de werkloosheid
moest een aparte Werkeloosheidswet uitkering aangevraagd worden.
-
Met de WIA is gezocht naar een structuur waarbij
werken altijd lonend is. Dit was bij de WAO niet altijd het geval. Het kon
zelfs voorkomen dat iemand er financieel op achteruit ging indien hij naast
zijn WAO-uitkering er bij ging werken.